1980 M 20

Het lerarenregister is een blijvertje. En wel op meerdere vlakken. Met een wettelijk verankering gaat het niet snel weg, maar met de huidige opzet zal de kritiek op het register ook blijven. Een register kan zeker een mooi hulpmiddel zijn om de professionaliteit van een leraar zichtbaar te maken. Daar gaat het huidige register volgens mij niet ver genoeg in. En de reacties op de sociale media ook niet.

Trampolinespringen

Enige tijd na het instellen van het register heb ik mijzelf geregistreerd. Ik was toen leidinggevende met een beperkte lesgevende taak en vond dat ik wanneer ik de docenten van mijn school zou vragen om zich te registreren, ik dat zelf ook zou moeten doen. Na het insturen van relevante en minder relevante diploma’s werd registratie een feit. Daarna kon iedereen zien dat ik verbonden was aan een school. Meer niet. Ikzelf had de verplichting/gelegenheid om mijn nascholingsactiviteiten te registreren. En ik heb in de loop der tijd daarna twee activiteiten bij het register opgegeven. Daarvan bleek voor de buitenwacht niks zichtbaar. Daarmee laat het (een) register volgens mij een grote kans liggen.

Bij de start van het register ontspon zich in mijn twitter-sphere een jolige discussie over de geaccrediteerde scholingsactiviteit “trampolinespringen”. De teneur van het commentaar was, dat dat een onzin-activiteit zou zijn. Ik ben daar toen tegenin gegaan.

Havo-vwo oogkleppen

Ik heb het genoemde commentaar bestreden met het aandragen van het tegenargument dat “trampolinespringen” voor veel docenten wellicht weinig relevant is, maar dat dat voor docenten bewegingsonderwijs toch echt anders is. En zo zijn er eindeloos scholingen te noemen die voor het gros van de docenten in het (havo-vwo) VO weinig relevant zijn, maar voor het PO, het MBO, het beroepsgericht VMBO en SO van groot belang zijn. Dierverzorging, koken, tuinonderhoud, bloemschikken, hygiëne etc etc. Zodra je een vaardigheid fout kan doen, moet oefenen en er les in moet geven, is een docenten-scholing van belang. Of het nu om de veiligheid van leerlingen gaat, bij trampolinespringen zeker een punt, of om de vaardigheid boven het amateurniveau laten uitstijgen, denk veel praktijkgericht onderwijs in het VMBO, wordt scholing in die vaardigheden onderdeel van de garantie voor niveau van de lessen en de professionaliteit van de betrokken leerkracht.

Profilering

Toen ik mij registreerde heb ik een afschrift van mijn bevoegdheid wiskunde en mijn doctorandus-diploma Toegepaste Onderwijskunde ingestuurd. Beide diploma’s vertegenwoordigen kennis, vaardigheden en inzichten die elke dag die ik lesgeef van belang zijn. Mij bevoegdheid werd als belangrijkste document aangemerkt, het diploma Onderwijskunde als elk andere cursus. En dat verbaasde en irriteerde mij. Waarom is de bevoegdheid wel van belang voor het register en de Onderwijskunde niet? Het antwoord lijkt voor de hand liggend, maar is eveneens merkwaardig. Met mijn universitaire studie onderwijskunde onderscheid ik mij namelijk van mijn collega’s tweedegraads docenten wiskunde. Ik zou dat zichtbaar willen hebben voor ouders en leerlingen.

Een register wordt dan (ook) een middel voor een individuele docent om kleur te geven aan de standaard bevoegdheid. Van docenten wiskunde tweede graad zijn er veel. Er zijn er minder die ook een academische studie gedaan hebben en nog minder die Toegepaste Onderwijskunde gestudeerd hebben. En zo zijn er legio voorbeelden te noemen waarmee docenten werkelijk kunnen laten zien waar ze voor staan in hun werk.

Vlak daarna besloot ik het lesgeven weer op te pakken. Toen werd mij duidelijk dat ook de andere diploma’s en activiteiten voor een school van belang zijn. Na elke sollicitatie zag ik de hits bij LinkedIn toenemen. En bij gesprekken werd daar ook op ingegaan.

Transparant en open

Moeten dan alle scholingsactiviteiten zichtbaar -en dus erkend- worden? Ook de cursus yoga, de hardlooptraining of het insigne knopen van de scouting? Naar mijn mening wel. Omdat ook die activiteiten bijdragen aan de authenticiteit van de docent. En er met enige regelmaat of incidenteel op teruggegrepen zal worden in een lessituatie, het dus bijdraagt aan het vak van docent.

Het leren speelt zich af in het hoofd van de leerling. En dat geldt ook voor de cursussen die docenten volgen. Je kunt niet tevoren zeggen dat een cursus volstrekt overbodig is. De betrokken leerkracht steekt er tijd, energie en vaak geld in. Voor die leerkracht is het daarmee belangrijk. Een register dat van de docent zelf is, geeft de gelegenheid om elke scholingsactiviteit op te nemen.

Van papierwerk naar openheid

Het beoordelen van scholingsactiviteiten om te bepalen of er wel echt sprake is van scholing, is een arbeidsintensieve en arbitraire bezigheid. Achter de schermen hebben de medewerkers van de Onderwijscoöperatie het er erg druk mee, en elke beslissing lijkt daarbij een foute beslissing. En levert een teleurstelling bij de betrokken docent op.

Naar mijn mening moet een register van, voor en door de leerkrachten geen toetsing van de scholingsactiviteiten hebben. Een docent registreert en kiest zelf wat openbaar te maken. Dan kunnen schoolleiding, leerlingen en ouders zien met welke scholingsactiviteiten de kennis en vaardigheden bijgehouden worden. En dan ontstaat het gesprek. En blijkt er veel te zeggen zijn over het insigne knopen bij scouting voor de wiskundeles.

Het zal het register een stuk minder bureaucratisch maken, meer van de leerkracht zelf en met een grotere maatschappelijke relevantie.

Advertenties